Dominee Ledeboer, zwevend tussen orthodox en modernistisch
- Ben Post
- 2 mei
- 7 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 11 jun
De mannelijke leden van de hervormde gemeente van Den Helder werden op 14 juni 1870 uitgenodigd voor een vergadering in de Nieuwe Kerk.[1] De aanleiding voor deze uitnodiging was een enorme kerkelijke rel die in de maanden daarvoor was ontstaan in het Friese Workum. Daar waren in de Hervormde Kerk twee volwassenen gedoopt; weliswaar met de gebruikelijke besprenkeling van water, maar zonder de doopformule: ‘in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes’. Het bleef niet bij dit incident. Er deden zich meer gevallen voor waarin predikanten van de moderne richting op uiteenlopende wijze afweken van de klassieke doopformule. Zo gebeurde het elders in het land dat drie kinderen werden gedoopt waarbij het eerste kind in de naam des Vaders werd gedoopt, het tweede in de naam van de Zoon, en het derde in de naam van de Heilige Geest.[2]
De hervormde synode ontving talloze bezwaarschriften van verontruste, orthodoxe gemeenteleden. Daarop werd besloten dat voortaan alleen nog met de aloude doopformule mocht worden gedoopt. Dit besluit was echter tegen het zere been van de modernen – en daarmee ook van de hervormde kerkenraad van Den Helder – en het vormde de directe aanleiding voor de uitgeschreven vergadering. Tijdens die bijeenkomst in de Nieuwe Kerk werd de aanwezige mannelijke lidmaten gevraagd een handtekening te zetten onder het bezwaarschrift van de kerkenraad, waarin werd gesteld dat predikanten vrij moesten zijn in de keuze van de doopformulering.
De voorzitter van de vergadering was dominee Ledeboer. Hij was tegen het synodebesluit en pleitte voor de vrijheid van predikanten in de bewoording van de doop. Ledeboer had op dat moment al een lang, respectabel dienstverband als predikant achter de rug en gold als een ervaren kerkbestuurder. Ruim een jaar later ging hij met pensioen en nam afscheid van de gemeente. Tegen die tijd was de doopkwestie echter al lang gesust: de synode had het besluit teruggedraaid, waardoor predikanten alsnog de vrijheid kregen in de keuze van de doopformule.
Lambertus Vincentius Ledeboer diende de Hervormde Kerk van Den Helder 31 jaar lang – een opmerkelijk lange periode, aangezien hervormde predikanten doorgaans veel korter bleven, met slechts enkele uitzonderingen. Ledeboer werd in 1803 geboren in Groningen, waar zijn vader eveneens predikant was. Het geslacht Ledeboer was een patriciërsgeslacht van kooplieden, rijke textielfabrikanten, bankiers en predikanten. In kerkhistorische kringen is Lambertus Gerardus Cornelis Ledeboer (1808–1863) de bekendste telg uit het geslacht. Hij was van een geheel ander slag dan zijn achterneef in Kolhorn en Den Helder. L.G.C. Ledeboer keerde zich fel tegen de nieuwe Evangelische Gezangen en de hervormde kerkelijke reglementen, omdat deze in zijn ogen niet voldoende gereformeerd waren. Tijdens een kerkdienst in Benthuizen wierp hij demonstratief de gezangenbundel en de reglementen van de kansel en begroef ze – in het bijzijn van gemeenteleden – in de tuin van zijn pastorie. Voor de hervormde synode ging dit te ver. Ledeboer werd afgezet als predikant en de toegang tot de pastorie en kerk in Benthuizen werd hem ontzegd. Deze Ledeboer zou de grondlegger worden van de Ledeboeriaanse gemeenten, die later hun eigen weg gingen binnen de Oud-Gereformeerde Gemeenten.
Maar Lambertus Vincentius moest van al deze dingen niets hebben. Hij rekende zich tot de modernen en werd, na afronding van zijn theologische opleiding in 1827, predikant in Kolhorn – een Zuiderzeedorp dicht bij de Wieringerwaard. Hij was toen nog maar 24 jaar en bleef tot 1840 in Kolhorn, waarna hij werd bevestigd als predikant in Den Helder.
Veel negentiende-eeuwse predikanten lieten zich verleiden tot het schrijven van gedichten. In de literatuurgeschiedenis staat dit verschijnsel bekend als domineepoëzie – vaak sterk moralistische verzen, die zelden boven het niveau van ‘domineesrijm’ uitstegen. Enkele dichters wisten dit bedenkelijke genre te ontstijgen, onder wie Peter de Génestet (1829–1861), Bernard ter Haar (1806–1880) en Nicolaas Beets (1814–1903).
Ook Ledeboer schreef gedichten en verzen. In 1836 probeerde hij een bijdrage geplaatst te krijgen in de succesvolle literaire Nederlandsche Muzen Almanak, maar zijn inzending werd afgewezen[3] – het gehalte was volgens de redactie onvoldoende literair. Met behulp van een aanzienlijk aantal intekenaren kreeg hij het wel voor elkaar om een eigen dichtbundel uit te geven.[4] Zijn eerstelingen noemde hij het boek met gedichten en sonnetten. Het bleef bij deze ene bundel, al droeg Ledeboer op feestelijke bijeenkomsten met enige regelmaat zijn zelfgeschreven verzen en gedichten voor.
Goede Maan ! gij gaat zoo statig
Door deze avondwolken heen ;
Ik gevoel bij uwe kalmte
Hoe voor mij de rust verdween.
Treurig volgen mijne blikke
Uwe stille, heldre baan:
Ach! hoe donker zijn mijn wegen,
Daar ik niet uw pad mag gaan!
Ledeboer trouwde op 10 oktober 1832 met de acht jaar jongere Friese Helena Catharina Kool van Heerens. Het echtpaar kreeg vier kinderen, van wie de jongste in Den Helder werd geboren. Ledeboer werd op 4 oktober 1840 door zijn vader bevestigd als predikant van de Hervormde Kerk in Den Helder. De gemeente had een jaar eerder het tweede kerkgebouw in gebruik genomen: de Nieuwe Kerk, gelegen tegenover de ingang van de Rijkswerf. De bevestiging van Ledeboer vond echter niet in deze Nieuwe Kerk plaats, maar in de Oude Kerk, die in 1679 was gebouwd op de Conijnsbergh in Oud Den Helder. Dit ruime gebouw, met een karakteristieke koepeltoren en een nabijgelegen schoolgebouw, was bij de intrede van Ledeboer al bouwvallig. Vijf jaar later nam de gemeente afscheid van deze kerk en werd – eveneens in Oud Den Helder – een nieuw kerkgebouw in gebruik genomen: de Westerkerk, een kruiskerk voorzien van een toren met slag- en uurwerk. Ledeboer ging, samen met zijn collega-predikant Clement, op 9 november 1845 voor in een dienst waarin de hervormde gemeente afscheid nam van het oude kerkgebouw en de nieuwe Westerkerk in gebruik nam. De later uitgegeven leerrede droeg de treffende titel: De laatste godsdienstoefening in een oud kerkgebouw, een gewichtig ogenblik. De twee preken – of leerredenen – die tijdens dat ‘gewichtige ogenblik’ zijn uitgesproken, zijn bewaard gebleven.
Ledeboer zou 31 jaar als predikant aan de hervormde gemeente van Den Helder verbonden blijven. Daarmee markeerde hij een belangrijke periode in de negentiende eeuw – een tijd waarin het theologische gehalte van de kerk veel stof tot discussie gaf. In 1834 hadden veel orthodoxe hervormde gemeenteleden zich afgescheiden van de Hervormde Kerk, omdat veel predikanten een rationalistische en modernistische prediking brachten. In die prediking ging het niet meer om zondebesef en de noodzaak tot bekering, maar vooral om een deugdzaam leven. Voor een orthodoxe geloofsbeleving was daarin steeds minder ruimte.
Vanaf 1834 ontstonden overal in het land nieuwe afgescheiden gemeenten. Ook in Den Helder ontstond in 1836 een afgescheiden gemeente. Toen Ledeboer in 1840 zijn intrede deed, had deze gemeente na veel strubbelingen overheidserkenning verkregen. De afgescheidenen gingen hun eigen weg, los van de kerk. Toch bleven er binnen de hervormde gemeente nog altijd orthodoxe leden die moeite hadden met de modernistische inslag van de prediking. Deze groep verenigde zich vanaf 1859 in de Vereniging ter Verbreiding van de Waarheid – een groep bezwaarde hervormden die zich niet wenste af te scheiden, maar de kerk van binnenuit wilde zuiveren.
Een moeilijk te beantwoorden vraag is hoe Ledeboer zich verhield tot de rechtzinnige en vrijzinnige richting, en tot de spanningen die daarmee gepaard gingen in de gemeente. Waar stond Ledeboer zelf in zijn prediking? Behoorde hij tot de rechtzinnigen of tot de vrijzinnigen? Of ontwikkelde zijn positie zich gedurende de 31 jaar dat hij in Den Helder stond? Deze vragen zijn lastig te beantwoorden, aangezien er geen preken van Ledeboer bewaard zijn gebleven. Toch zijn er aanwijzingen over zijn theologische positie. In 1865 was Ledeboer 25 jaar verbonden aan de gemeente van Den Helder. Dit jubileum vormde voor hem de aanleiding om een leerrede uit te geven met de titel: Woorden van ernst en vrede, een Eben-Haëzer opgericht op 8 oktober 1865 bij vervulde 25-jarige evangeliebediening. Het document sluit af met een hoofdstuk waarin Ledeboer ingaat op vragen over het gezag van de Bijbel en de verhouding tussen rechtzinnigen en vrijzinnigen. Deze publicatie leidde tot een stevige reactie van dominee A.S. Entingh, afgescheiden predikant in Den Helder, die op zijn beurt een open brief publiceerde onder de titel: Open brief aan de weledele heer L.V. Ledeboer, die zich verklaard heeft volbloed modern te zijn. Entingh verweet Ledeboer dat hij het goddelijke niet in de Bijbel zocht, maar in de ziel van de mens. Volgens Entingh verdedigt de orthodox gereformeerde leer juist dat de mens geneigd is tot alle kwaad. Hij schreef: De laatste grond van uw geloof is niet meer wat in den Bijbel staat, wat Jezus in leer en leven gepredikt heeft, de apostelen geleerd en gepredikt hebben – neen, want daar zijt gij boven verheven; maar de laatste grond van uw geloof ligt in uzelven, en moet gezocht worden in het goddelijke dat in u is, en u van Gods geslachte doet zijn. Dat is uwe overtuiging voor uzelven en ook voor anderen, niet waar?
Entingh werkte zijn kritiek verder uit: volgens hem onderscheidde Ledeboer zich niet meer van andere godsdiensten die ook uitgaan van het goddelijke in de mens. Daarmee stond ook de maagdelijke geboorte van Jezus en de leer van de drie-eenheid ter discussie. Zijn conclusie: Ledeboer was een volbloed vrijzinnige predikant.
Ledeboer schreef een open brief als reactie, maar deze is helaas niet bewaard gebleven. Wel is duidelijk dat Ledeboer als gematigd vrijzinnig predikant goed paste binnen de hervormde gemeente van Den Helder. Hij was bevriend met de eveneens vrijzinnige doopsgezinde predikant Pieter Engel Douwes Dekker en leidde in 1861 diens begrafenisdienst.


Evenals in veel andere plaatsen in het land had Den Helder een Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Het was de plaatselijke vereniging voor welzijn, bevordering van de gemeenschap, onderwijs, ontwikkeling en maatschappelijke doeleinden. Ledeboer is voorzitter geweest van ’t Nut. Maar ook buiten dit verband komt Ledeboer herhaaldelijk in de krant met oproepen tot steun van weduwen bij vermissing van zeelieden en vissers. Ondanks de brede maatschappelijke inzet van Ledeboer in de Helderse samenleving heeft deze trouwe predikant maar een beperkt spoor achtergelaten. Na enig zoeken heb ik uiteindelijk uit het familiearchief in Rotterdam een foto gevonden, in 1865 gemaakt bij Steinhouwer fotografie aan de Hoofdgracht.
Op zondagavond 1 oktober 1871 nam Ledeboer afscheid van de gemeente tijdens een kerkdienst in de Nieuwe Kerk. Hij koos hierbij voor een Bijbelgedeelte uit Mattheus 5: Zijn dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader in den Hemel volmaakt is. De afscheidsrede is daarna in druk verschenen maar die heb ik niet meer kunnen vinden. Omdat de Hervormde kerk in die tijd nog een staatkerk was, werd zijn pensioen door Zijne Majesteit de Koning Willem III vastgesteld op f 1.000. Na zijn emeritaat verhuisde Ledeboer naar Zutphen waar hij op 19 januari 1874 overleed.
Augustus 2024, Ben Post
Bronnen
[1] Heldersche en Nieuwerdieper Courant 8 juni 1870
[2] Zie o.a. Algra, het wonder van de negentiende eeuw
[3] De literaire almanak als standmeter van de Nederlandse poëzie. Gedemonstreerd aan de Nederlandsche Muzen-Almanak (1819-1840), 2016 Henk Eijssens
[4] Gedichten van L.V. Ledeboer Az, 1863 Zaandijk, J. Heynis Tsz.
Opmerkingen