Bethelkerk
Vanaf het begin van de negentiende eeuw telde de Nederlandse Hervormde Kerk heel wat bezwaarde gemeenteleden, want de boodschap die van de hervormde kansels klonk was liberaal en modernistisch. De prediking ging vooral over een deugdzaam leven. Belangrijke Bijbelse begrippen zoals zonde, bekering en wedergeboorte raakten op de achtergrond. Veel predikanten stelden de wetenschap boven de Bijbel en geloofden niet meer in de Godheid van Christus en de lichamelijke opstanding. Veel gemeenteleden namen de vervlakking waar en streden hier ook wel tegen, maar bleven desondanks lid van de Hervormde Kerk. In 1834 kwam In het Friese Ulrum een afscheidingsbeweging op gang onder leiding van dominee Hendrik de Cock. Spoedig daarna breidde deze beweging zich uit over het hele land. In Den Helder was winkelier J. Bruin aan de Kanaalweg één van de leidende figuren die zich onttrok. Coenraad Wüst, in dienst bij de Rijkswerf, werd gedurende de eerste jaren van de afgescheiden gemeente de voorganger.
​
De afgescheiden gemeente kwam in het geheim bijeen in een stal op het erf van weduwe Lobé, Zeedijk 84. Later heette dit Kanaalweg. Het was de plaats waar later het Christelijke Militair Tehuis zou verschijnen, dicht bij de Postbrug. De afgescheiden gemeente had het zwaar en werd bedreigd en vervolgd. In latere jaren kwam er meer ruimte en zelfs overheidserkenning.
​​
De bedenkelijke rol van burgemeester Jan In 't Velt

Jan in ’t Velt (1791-1850) was een invloedrijk bestuurder in de eerste helft van de negentiende eeuw. In 1824 werd hij benoemd tot schout van de gemeente Huisduinen en Helder, een functie die in 1825 overging in het burgemeestersambt. Hij bleef tot zijn overlijden in functie en drukte een duidelijk stempel op de ontwikkeling van stad . Tijdens zijn ambtsperiode werd het Noord-Hollands Kanaal voltooid, wat de bereikbaarheid van Den Helder sterk verbeterde. Ook was hij betrokken bij een grote scheepsramp voor de kust, die leidde tot de oprichting van de Reddingmaatschappij. In zijn periode ontwikkelde de Rijkswerf zich tot een belangrijke pijler van de lokale economie. Jan in ’t Velt vertegenwoordigde zijn regio tevens als lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland. Voor zijn verdiensten werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Op 3 juni 1840 werd, in een eenvoudige stal achter Zeedijk nummer 84, door oefenaar Wüst de Gereformeerde Gemeente onder ’t Kruis gesticht. Met het voorlezen van de belijdenisgeschriften en een plechtige belofte om zich “onder het jok van Christus” te verbinden, maakte men zich los van de gevestigde Hervormde Kerk. Maar buiten de stal was veel rumoer: tegenstanders stonden te schreeuwen, ruiten werden ingegooid en het huis van de weduwe Lobé werd belaagd.
In deze geschiedenis is het de vraag welke rol burgemeester Jan in ’t Velt (1791–1850) gespeeld heeft. De burgemeester, een overtuigd lid van de Hervormde Kerk, was uitgesproken vijandig tegenover de Afgescheidenen. Terwijl de spanningen opliepen en het geweld toenam, liet hij hen in de kou staan. De bescherming die van overheidswege verwacht mocht worden, bleef uit.
​
Op 7 september 1840 bereikte de agressie een dieptepunt. Een woedende menigte naderde in optocht, gewapend met een zware ladder. Met deze werd de deur van de schuur waarin de gemeente bijeenkwam aan splinters geslagen. De preekstoel werd omvergeworpen, vrouwen gilden van angst, en terwijl het volk luidkeels “hoera” riep, heerste binnen de paniek. Reeds eerder, op Eerste Paasdag van dat jaar, was er sprake van zware intimidatie: stenen, vuil en scheldwoorden vlogen de gemeenteleden om de oren. De politie trad niet op. Weliswaar overtraden de Afgescheidenen formeel de wet — samenkomsten van meer dan negentien personen waren verboden — maar dit werd kennelijk enkel gebruikt als gelegenheidsargument om het geweld te negeren. Het lijkt erop dat burgemeester Jan in ’t Velt zijn persoonlijke aversie tegen de Afgescheidenen zwaarder liet wegen dan zijn ambtsplicht. Sommige bronnen suggereren dat hij hard tegen de Afgescheidenen is opgetreden. Daar heb ik geen aanwijzingen voor gevonden, maar de feiten uit die jaren spreken vooral van nalatigheid. Zijn rol tijdens de afscheidingsstrijd blijft dan ook bedenkelijk – een schaduwzijde in het leven van een verder geprezen bestuurder aan wie de stad veel te danken heeft.
De Christelijke Afgescheiden Gemeente kwam vanaf 1840 samen in de stal van weduwe Lobé , aan de Zeedijk achter nummer 84. Vanwege de vervolgingen werd ook wel uitgeweken naar andere plaatsen zoals Koegras. De stal van weduwe Lobé werd de kerk. Hier preekte ds. Wüst tussen de koeien. Uit 1843 is een tekening bewaard gebleven van de om te bouwen stal, het is gezien de tekst ook een soort van overeenkomst. In 1844 werd een orgel geplaatst en later kon er ook een preekstoel worden neergezet. Hiermee werd de stal een echte kerk. In 1848 werd zowel de stal als het woonhuis van weduwe Lobé gekocht voor de prijs van 2.000 gulden.
​
In het Vliegend Blaadje van 28 februari 1890 wordt een artikel gewijd aan deze tekening die bij toeval in handen kwam van de redacteur.


In 1858 bestond de Chr. Afgescheiden Gemeente uit ongeveer 300 leden. Dominee H. Op 't Holt werd in 1861 predikant en zette zich in voor de bouw van een nieuw kerkgebouw die een jaar later werd gebouwd op dezelfde plaats waar de schuur van weduwe Lobé stond. De bouwsom bedroeg f 8.540. De eerste steen werd gelegd door een zoontje van ds. Op ’t Holt, die later ook predikant werd. De achtergevel van de kerk stond aan de Dijkweg. De voorgevel van de kerk aan de Kanaalweg, terwijl de hoofdingang te bereiken was door een smalle steeg vanaf de Kanaalweg. Er zijn helaas slechts enkele foto's bekend van deze kerk.
In 1886 waren er andere ontwikkelingen. Een groep bezwaarde gemeenteleden, waarvan sommigen deel uitmaakten van de Vereniging tot Verbreiding der Waarheid, brak met de Hervormde Kerk. Landelijk staat deze afscheiding bekend als de doleantie. De nu ontstane nieuwe kerk werd de Nederlands Gereformeerde Kerk genoemd. Deze gemeente bouwde onder leiding van predikant W. van der Hengst een nieuwe kerk aan de Spoorstraat. Dit werd de Zuiderkerk. In 1892 verenigde een groot deel van de Afgescheidenen zich met de Nederlands Gereformeerde Kerk. In 1912 werd de Zuiderkerk vergroot en omgedoopt tot Bethelkerk. De Bethelkerk aan de Kanaalweg werd in 1913 gesloopt. Op deze plaats kwam het Christelijk Militair Tehuis.



Bethelkerk Kanaalweg Den Helder