Chr. afgescheiden gem.

Wilhelmus Hein Leeuwen van
Geboren
Overleden
Standplaats
Van-tot
1807
1882
Den Helder
1846-1858
Media
Informatie
Wilhelmus Hein van Leeuwen werd op 22 oktober 1807 in Ten Boer, in de provincie Groningen, geboren. Reeds vroeg verloor hij zijn ouders. Hij volgde een opleiding voor onderwijzer en behaalde op 2 mei 1827 de Acte van Toelating als schoolonderwijzer ‘van de derde rang’. In 1836 werd hij schoolmeester in Delfzijl. ‘Het was’ – zo schreef hij in een preekschets – ‘in mijn 29ste jaar dat de Heere mij op den tweeden Kerstdag 1836 voor het eerste leerde uit Lukas 2:14.’ Later zou hij hier in Een brief over mijnen bekeringsweg, in 1859, uitvoeriger bij stilstaan. Op 13 november 1840 werd hij benoemd als hoofd van de diaconie- school van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Amsterdam. Hij begon er op 23 augustus 1841, maar al spoedig bleek dat zijn omgang met de jeugd moeizaam verliep. Van Leeuwen bestudeerde in deze tijd de Latijnse, Griekse en de Hebreeuwse talen; daarnaast oefende hij regelmatig, wat hem niet door iedereen in dank afgenomen werd. Hij zocht daarna contact met de Gereformeerde Kerk onder ’t kruis, waar hij toegelaten werd. Op 27 mei 1845 werd hij geëxamineerd en op 29 mei werd hij door ds. C. van den Oever bevestigd als predikant van de Kruisgemeente te Woerden-Linschoten; zondag 1 juni deed hij in Woerden intrede met als tekst Jes. 41:14 en ’s middags in Linschoten met Ex. 3:2. Veel opgang maakte zijn prediking echter niet: in september 1846 was de gemeente bijna verlopen.
Op 29 november 1846 werd ds. Van Leeuwen bevestigd in Den Helder. Hij gaf er preken en taalboekjes uit en verzorgde mede de opleiding van degenen die zich geroepen achtten tot het predikambt in de Kruisgemeenten. Liefhebbers konden bij hem onderwijs volgen in de oude talen. Tevens was Van Leeuwen vaak scriba van de algemene vergaderingen, hoewel hem na zijn overstap naar de afgescheidenen nog in 1853 verweten werd dat hij ‘wel meer gewoon was, iets bij te voegen in de Notulen, waar de Vergadering geen kennis van droeg.’ Ds. Van Leeuwen ijverde voor een vereniging van de Kruisgezinden en de afgescheidenen. Toen dat niet lukte, besloot hij om zelf samen met zijn gemeente naar de christelijke afgescheidenen over te gaan. Uiteindelijk werden zij op 19 april 1853 door het kerkverband overgenomen. Wel werd de eis gesteld dat Van Leeuwen opnieuw bevestigd zou worden als predikant. Daaraan onderwierp hij zich, zij het met tegenzin. Met zijn vertrek haalde hij zich de woede van de Kruisgezinden op de hals, die de ‘ontrouw geworden’ leraar het zoeken van ’tijdelijk voordeel’ verweten. Van 27 december 1858 tot 8 juni 1863 diende ds. Van Leeuwen de gemeente te Werkendam. Hier werd hij het middelpunt van een aantal conflicten, doordat hij collega’s ten onrechte had beschuldigd en er kritiek was op zijn levenswandel. Zelf was hij over het begin van zijn ambtsbediening lovend: in een ‘Naschrift’ bij een Uittreksel uit eene apologie of ernstige en vrijmoedige verdediging van het werk Gods te Nieuwkerk, op eene brief geschreven door prof. J. van den Honert, waarin gevoegd is een verhaal van het werk der overtuiging en bekering te Werkendam voorgevallen in den jare 1746, door Jacob Groenewegen, schreef hij: ‘Wij mogen ook tot dusverre het voorrecht genieten dat de Heere ons gering dienstwerk, gedurende ons kort verblijf en verkeer alhier zegent en toont bemoeienissen met ons te willen maken, door deze en gene alhier te ontdekken en te overtuigen van hunnen verlorenen staat en toestand voor de eeuwigheid en zouden wij tot roem van Gods vrije genade moeten betuigen, geen enkele predicatie te doen of daar is vrucht en zegen onder; waarvan de gehele gemeente getuigen kan. Daarbij komen ze van alle kanten toevloeien onder het gehoor, zomede ook van Nieuwkerk. De toevloed wordt dan ook dagelijks groter, zodat wij om deze en andere redenen in de noodzakelijkheid zijn om een nieuw kerkgebouw te stichten, waarmede alrede een aanvang is gemaakt en waarvan wij den eersten steen gelegd hebben op den 19en April 1859, terwijl zoo de Heere wil en wij leven en alles naar wens mag gaan, wij binnen kort het nieuw voltooid gebouw wensen in te wijden.’ De door Van Leeuwen bedoelde kerk werd op 14 augustus 1859 in gebruik genomen. Twee jaar later, in 1861, werd hij tot driemaal toe beroepen door de True Dutch Reformed Church (de Ware Hollandse Gereformeerde Kerk) in Grand Rapids, maar hij bedankte. Het vierde beroep, van 13 februari 1863, nam hij op 10 mei dat jaar aan. Op 7 juni preekte hij afscheid met als tekst Jer. 17:16 en zes dagen later verscheepte hij zich met zijn gezin vanuit Rotterdam naar Amerika. Op 3 juli 1863 kwam ds. Van Leeuwen in Grand Rapids aan. Hij werd er bevestigd door ds. K. van den Bosch en deed op zondag 5 juli zijn intrede met een preek over Jes. 30:20, 21, die ook uitgegeven is. Op de classicale vergadering van woensdag 22 juli 1863 werd Van Leeuwen gelijk al als ‘president’ gekozen en sprak hij opnieuw een leerrede uit. In het blad De Grondwet, aflevering 164, werd bij zijn voorgaan als volgt stilgestaan: ‘De Classicale Vergadering der Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Gemeenten in dezen omtrek werd j.1. Woensdag te Zeeland, in het kerkgebouw der Chr. Afgesch. gem. gehouden. De WelEerw. Heer W. H. Van Leeuwen van Grand Rapids opende de Classis met eene ernstige, krachtvollen en Oud-orthodoxe Leerrede gegrond op Ps. 122:6a: “Bidt om den Vreede van Jeruzalem.” Naar wij horen heeft deze Leerrede groot genoegen en algemene voldoening gegeven. Het deftig en eerbiedwaardig voorkomen van ZEerw., de eenvoudige, verstaanbare oud-Hollandsche stijl, preekmethode, manier van voordracht, het ex tempore (zonder schets of uitgeschreven leerrede) spreken en andere bijzonderheden, hadden voor verscheidenen iets zonderlings en oorspronkelijks in zich en herinnerde velen der bejaarden aan het oude Vaderland en de dagen der afscheiding van het hervormde genootschap. Het kerkgebouw was propvol en velen moesten buiten staan. Een talrijke schare uit de meeste gemeenten onzer nederzetting, was samengevloeid om den pas uit Nederland overgekomen leraar te horen, en de Chr. Afgesch. Gem., 0. S. Presbyteriaansche en Hollands Gereformeerde Kerkgenootschappen waren talrijk vertegenwoordigd.’ Op de vergadering zelf ‘werd besloten om voorbereidende maatregelen te nemen ter opleiding van jongelingen voor de H. Bediening en langzamerhand de grondslagen te leggen voor een Seminarium.’ Ds. Van Leeuwen verklaarde zich bereid om dat onderwijs te geven.
Ook in Amerika bleven de moeilijkheden niet uit. Het is dr. Henry Beets geweest die in een uitvoerige schets op de ambtsbediening van ds. W.H. van Leeuwen in het werelddeel over de oceaan is ingegaan. In het blad De Gereformeerde Amerikaan, jaargang V, aflevering 1 januari 1901, schreef hij onder meer: ‘Tot onze smart moeten we echter neerschrijven dat Van Leeuwen’ s arbeid te Grand Rapids niet zoo zegenrijk was als men wel had gehoopt en van een man van zijn gaven verwachtte. Zijn verbazend luid roepen en zijn meer hard dan hartelijk prediken, maakte op den hoorder niet dien indruk dien men wel wenste. Zijn catechseren was verre van een succes, ’t huisbezoek min of meer onbevredigend, in omgang met hem kreeg men de impressie dat de deugd der nederigheid wel meer ontwikkeld kon wezen, en tenslotte enkele boze geruchten omtrent zijn wandel in omloop gebracht – dat alles belemmerde zijn welslagen in zijne eerste gemeente in Amerika. Hijzelf moest dit bemerkt hebben en toen hij daarom den 27 Sept. 1866 te Paterson, N.J. beroepen werd, meende hij derwaarts te moeten trekken. En zoo predikte hij 10 Feb. 1867 zijn afscheid te Grand Rapids en reeds den volgende Sabbat trad hij voor zijne nieuwe gemeente op, predikend over Ps. 116:12-14. Den 21 Mei werd hij bevestigd door Ds. J. de Beer, destijds predikant te Holland en Nieuwkerk, Mich. In het eerst ging het in Paterson tamelijk wel. Zoo lezen we bijv. in de Stem uit het Westen, in het belang van de Ware Holl. Geref. Kerk in N. A., 23 Aug. 1867, door Slag en Benjaminse uitgegeven, het volgende in een belangrijk ‘Kerkelijk overzicht’ van onze gemeenten in die dagen: “PATERSON. De gemeente welke daar ter plaatse veel heeft geleden. doordat hun leraar Ds. Bechthold hun heeft verlaten, is door de komst van Ds. Van Leeuwen aanmerkelijk toegenomen.” In nummer 25, Jaargang I van De Wachter 15 Jan. 1869, kon hij met blijdschap den lezers mededelen dat zijne catechisanten hem binnen drie maanden tijds twee kostelijke geschenken hadden gegeven, iets dat zekerlijk pleit voor een plaats in het hart des volks, wat bevestigd wordt door het stuk “Gedenkdag” van den Paterson kerkenraad in De Wachter van 30 Juli, 1869. Hij vond tijd en lust om voor dat nieuwe kerkelijke orgaan een tamelijk groot aantal stukken en stukjes op te stellen, gelijk hij reeds vroeger meer dan één stuk pende voor deszelfs voorloper De Verzamelaar. En ook in zijn gemoedsleven scheen hij niet ongezegend te zijn. Zoo lezen we de volgende aantekening uit die dagen in zijn zakboekje: “Woensdag den 17 Maart 1869 gevoelde ik mij na een nauwkeurige zelfbeproeving, van alles los, niets uitgesloten: van schepsel, vlees, wereld en zonde en had nergens geen genoegen als in God en zijne gemeenschap.”
Op den eersten Juni 1870 herdacht hij het feit zijner 25- j ari ge Evangeliebediening in eene Jubelrede over Ps. 103:1,2 en gaf ter herinnering daaraan de jubelrede uit (C. Vorst, Holland Mich.) vroeger door Ds. Johannes Groenewegen bij soortgelijke gelegenheid te Werkenduin uitgesproken naar aanleiding van Ps. 71:17, 18.’ Ook in Paterson kwamen problemen; dr. Beets omschreef die als volgt: N iel 1 wel lang daarna begon in Ds. Van Leeuwen’ s leven een periode waarin veel meer stof was tot treuren dan tot jubelen, een tijdperk dat we liever zouden overslaan, maar uit liefde tot de historische waarheid moeten hoeken opdat onze schets zoo volledig mogelijk zij. En opdat we niemand wogen kwetsen doen we dit in woorden alrede wereldkundig, n.l. in die van De Wachter van 30 Mei 1873, luidende als volgt:
“Mr. A.V. en anderen die aanhouden te vragen naar de zaak van (Ds.) W.H. Van Leeuwen, melden we dat vele berichten gehele onwaarheid bevatten. De zaak is in het kort deze: Sedert geruime tijd bestond er argwaan bij de gemeente te P(aterson) N.J. waar Van Leeuwen leraar was omtrent zijn leven. Dit nam toe. Er kwamen aanklachten. De kerkenraad bemoeide er zich mede. De leraar ontkende. De Classicale Comm. werd kennis gegeven. Een Comm. werd verkozen als Kerkvisitatoren om deze afzonderlijke gemeente te bezoeken. Een onderzoek werd ingesteld, de kerkenraad legde zijn bezwaren bloot en bijna geheel de gem. maakte klachten tegen den leraar. ZEw. kwam mede onder de beschuldiging van de kerkvisitatoren en moest in hunne tegenwoordigheid preken. Dit verzwaarde den toestand. De aanklachten van kerkenraad en gem. werden hierdoor bevestigd. Deze Comm. had last en magt om naar omstandigheden te handelen volgens Gods Woord en de orde der Geref. Kerk. Het was hun onmogelijk om dit getrouw uit te voeren zonder den leraar voor zes weken te schorsen in zijne bediening over onzuiverheid in leer en ergerlijken wandel. Dit is geschied. Hun rapport kwam weder op de Classis. Deze keurde de handelingen goed. De tijd van zes weken was nog niet voorbij toen V. L. een protest zond (meenen we) aan de Classicale Comm. in betrekking van eisen die door hem moesten vervuld worden. Dit gaf reden aan de Classis om den tijd van schorsing te verlengen. De Algeeene Vergadering heeft aan den leraar geschreven wat de Kerk van hem eischte en het voorts in handen van Classis Michigan overgegeven. Toen op den bepaalden tijd geen voldoende belijdenis door ZEw. gedaan was, werd hij als leraar van de gem. ontslagen, doch bleef lid der kerk. Intussen had v.L. alrede het genoemde protest ingezonden, waardoor de kerk verplicht was geworden daarna overeenkomstig te handelen. Sedert V.L. op die laatste Class. Vergadering was en tussen de naastvolgende, ontving hij een beroep uit de Reformed Church te Hohokus, N.J. Hij nam dit beroep aan. Dit maakte zijn persoon los van onze kerk. De Classis die weldra in zitting kwam heeft hem dan ook als zoodanig verklaard. Te Hohokus komende was de plaats nog niet vacant, een leraar van de Ref. Church, L.G.J(ongeneel) wilde niet ruimen voor hem een ander arbeidsveld was aangewezen zodat V.L onverrichter zake weder naar Grand Rapids kwam, waar hij woonde. Paasmaandag heeft hij voor Ds. Kloppenburg gepredikt.”
Zoo spreekt De Wachter over deze onaangename episode, er nog aan toevoegende dat hij daarop een brief aan de gem. Hohokus schreef met den raad dat zij van de Classis moest afgaan en hem beroepen, dan konden zij vooreerst op zichzelf staan en later weder aansluiten aan de Reformed Church. Van dit alles kwam echter niets. Van Leeuwen bleef te Grand Rapids wonen als ambteloos man.’ Had het dr. Beets gesmart ‘om deze pijnlijk episode te moeten boeken’, tot zijn vreugde kon hij meedelen dat ‘later alles wederom in orde kwam, zodat hij de ellendige Paterson-geschiedenis als ’t ware uitleefde.’ Beets vervolgde: ‘In de eerste helft toch van het jaar 1875 werd er verzoening getroffen tussen hem en de kerk, naar we menen met openbare belijdenis van zijne afwijking. Een beroep van de gemeente Collendoorn kon worden aangenomen en op 30 Mei van bovengenoemd jaar werd hij aldaar bevestigd door Ds. W.H. Frieling. Hier ontmoette hem zegen en voorspoed op zijn pad. De tegenspoed hier vooral in bestaande dat juffrouw van Leeuwen, geb. Benrath, met wie hij een veertigtal jaren gehuwd was geweest en die hem 5 zonen en evenzovele dochteren had geschonken, hem plotseling ontviel in ’t zelfde jaar waarin hij zich te Collendoorn had gevestigd. Tegenover dat verlies stonden echter verschillende zegeningen. Een tweede gade vond hij reeds den laatsten Jan. 1876 in Mrs. Juriennne Vork, geb. Renken. Zijn gemeentelijk werk was tamelijk gezegend met vrede en welslagen.’ Toen hij na vijfjarigen arbeid in den Collendoornse kerk zijn emeritaat bekwam en 6 Juni 1880 zijn afscheid predikte, mocht hij in vrede zijn herderstaf neerleggen, terwijl hijzelf in De Wachter, Jrg. 13, No. 7, kon mededelen dat hij aldaar 45 lidmaten had aangenomen, zodat bij zijn vertrek omtrent een honderdtal huisgezinnen tot die plaatselijke kerk behoorden, wat zekerlijk voor welslagen pleit, althans ten opzichte van kerkelijke groei.
Voorlopig bleef Ds. Van Leeuwen nog in de pastorie zijner vroegere gemeente, wonen. Later echter vertrok hij naar Grand Rapids om daar zijn levensdagen te eindigen. Zoo nu en dan predikte hij en schreef artikelen voor De Wachter, zelfs een dag voor zijnen dood. En rustig sleet hij zijne dagen, een, voor een oud man tamelijk goede gezondheid bezittend, totdat hij op Sabbatmorgen 8 October, 1882, plotseling in de vroege morgenure door een beroerte werd overvallen. Van stonde af verloor hij eerst ’t spraakvermogen, toen het bewustzijn, en kort na den middag van denzelfden dag ontsliep hij.’ Dr. Beets besloot: ‘Zoo ging dus een man henen die gedurende een lange reeks van jaren het Evangelie des Kruises had verkondigd, op zeer vele plaatsen, b.v. in Nederland alleen op meer dan 60, en hier evenzeer in verscheidenen kerken en andere gebouwen. Reeds toen hij het feest zijner 25 jarige Evangeliebediening vierde kon hij melden dat hij 1200 kinderen had gedoopt, 1000 lidmaten aangenomen en ruim 3800 predicatiën gehouden. Behalve allerlei stukken in weekbladen heeft hij niet minder dan een 35tal boeken en boekjes gepubliceerd of voor heruitgave bewerkt.’
Bronnen
Gedeeltelijk overgenomen uit: Predikanten en oefenaars.
Woordenboek van de kleine kerkgeschiedenis.
Uitgave Den Hertog, Houten | Stichting de Gihonbron, Middelburg 2015
